Rouwen om iemand die er nog is
Je vader of moeder is er nog, en toch ben je iemand kwijt. Er was geen moment waarop dat gebeurde, en er komt geen kaartje voor.
9 augustus 2026 · 7 min lezen
Op een gegeven moment merk je dat je moeder je naam niet meer zegt. Niet met een schok — ze zegt gewoon “meid”, of “lieverd”, en het duurt weken voordat je doorhebt dat het geen koosnaampje was.
Er is die dag niks gebeurd. Er kwam geen uitslag, er belde niemand. En toch ben je sinds die week iemand kwijt die gewoon nog aan tafel zit.
Er was geen moment. Daarom telt het niet mee.
Dat is het rare aan dit soort verlies: er zit geen dag omheen. Geen kaart op de mat, geen dienst, geen week waarin mensen even wat vaker bellen. Bij een sterfgeval ligt er een vorm klaar om het verdriet in te doen. Hier ligt niets klaar. Wat je krijgt is: “gelukkig heb je haar nog.”
En dat klopt ook. Je hebt haar nog. Dat maakt het niet lichter, het maakt het alleen moeilijker uit te leggen.
Ik schrijf hieronder over een moeder, omdat een verhaal een gezicht nodig heeft. Lees vader waar dat bij jou past.
Wat er misgaat met “je moet je voorbereiden”
Let eens op waar de zinnen naartoe wijzen die je te horen krijgt. Bereid je erop voor. Geniet er nog van nu het kan. Straks is het zwaar, dus houd je nu sterk.
Het is vriendelijk bedoeld en het zet je precies verkeerd neer. Want het gaat ervan uit dat het verlies nog moet komen.
Je rouwt niet om wat komen gaat. Je rouwt om wat er al weg is.
Denk aan het laatste gesprek waarin zij vroeg hoe het met jóu ging. De laatste keer dat ze een advies gaf dat je echt nodig had. Het moment waarop jij degene werd die de beslissingen neemt — over de auto, over het huis, over of dit nog kan. Dat zijn geen kleinigheden. Dat is je moeder die niet meer je moeder is op de manier waarop ze dat was.
Die verliezen zijn al gebeurd. Stuk voor stuk zijn ze langsgekomen zonder dat iemand ze heeft opgemerkt, jijzelf vaak ook niet — want ze zagen eruit als een gewone dinsdag.
En daar zit de prijs van dat vooruitkijken. Als je jezelf voorhoudt dat het echte verdriet later komt, geef je jezelf nu geen toestemming. Je bent moe, je bent verdrietig, en je vindt dat je daar geen recht op hebt, want er is niemand doodgegaan. Dus schuif je het door.
Wat ik in mijn spreekkamer zie, is dat die rekening blijft staan. Mensen houden het jaren vol en zakken pas door hun benen als het “eigenlijk voorbij” is. Ze schrikken er dan zelf het meest van.
En toch is dit niet hetzelfde als iemand afschrijven
Hier komt de aarzeling, en die is terecht: als ik nu ga rouwen, geef ik haar dan niet op terwijl ze er nog is? Dat voelt als verraad. Alsof je aan haar bed al aan het opruimen bent.
Het is precies andersom. Rouwen om wie iemand wás, is wat er ruimte maakt om te zien wie er nu zit.
Zolang je blijft zoeken naar wie ze was, kijk je langs wie ze nu is.
Dat is geen troostprijs. Wat ik in de spreekkamer terug hoor, is dat de toon van een bezoek vaak langer aankomt dan de inhoud ervan — of het gezellig was, of er haast was, of iemand boos wegliep, ook als de woorden allang kwijt zijn.
Het contact verplaatst zich daarmee van wát je zegt naar hóe het klonk. Dat is een andere relatie dan je had. Het is er wel een.
Eén voorbehoud, en het is een belangrijke: dit gaat niet bij elke aandoening op dezelfde manier. Merk je dat wat je probeert niet aankomt, dan doe je het niet verkeerd. Vraag het dan na bij de arts of de casemanager, want hierin verschillen ziektebeelden echt van elkaar.
Wat er pas laat ter sprake komt
Twee dingen komen bij mij pas ter sprake als een gesprek lang genoeg duurt. Nooit in de eerste tien minuten.
Het eerste is opluchting. Het bezoek gaat niet door, ze slaapt als je binnenkomt, de zorg neemt een nacht over — en er gaat iets in je los waar je vervolgens diep van schrikt. Opluchting is niet het tegenovergestelde van liefde. Het is wat een lichaam doet als er een uur lang iets van je af is.
Het tweede is ergernis. Aan de herhaalde vraag, aan het verwijt dat nergens over gaat, aan het feit dat je zaterdag weer weg is. Je weet dat het de ziekte is. Dat helpt je precies niks op het moment zelf, en het maakt je geen slecht kind.
En dan het stuk waar het thuis vaak op stukloopt: er is hier geen schuldige. Niet je vader, die niet gevraagd heeft om wat er met hem gebeurt. Niet je broer of zus die minder langsgaat dan jij. Wat daar aan de andere kant gebeurt weet je niet; je vult het in, en wat je invult is zelden vriendelijk. En jij niet, ook al ligt de vraag of je genoeg doet elke avond op je te wachten.
Tot slot
Ik zou niet weten hoe ik dit netjes moet afronden. Een week waarin je het verwerkt hebt en het af is, heb ik in de praktijk nog niet zien langskomen, en er komt ook steeds iets bij: elke keer als er weer een stukje wegvalt, begint er een nieuw klein rouwtje dat er niet zo uitziet.
Wat er wel gebeurt, bij de mensen die ik hierin zie zitten: het verdriet wordt iets waar ze naast kunnen staan in plaats van iets waar ze omheen moeten werken. Ze zijn niet minder verdrietig. Ze hoeven het alleen niet meer weg te houden.
En zij is er nog. Anders dan ze was, en nog steeds iemand.